.

De punt is een bijzonder mooi en ook enigszins ondergewaardeerd leesteken. We lezen er vaak achteloos overheen en geven het niet de aandacht en de ruimte die het verdient. Ondanks zijn geringe grootte en lage positie in de regel heeft de punt een enorme kracht. Het kleine stipje brengt onvermijdelijk een einde aan een zin en dwingt de lezer tot nadenken over de betekenis daarvan. De spatie achter de punt is bedoeld om de tijdsduur van het nadenken te verlengen.

De punt moet dus met respect en zorgvuldigheid worden gebruikt. Misbruik van dit waardevolle kleinood neem ik niet licht op. Ik kan mij bijvoorbeeld bijzonder ergeren aan voorlezers die de aan de punt verbonden pauze niet in acht nemen. Ze laten daardoor blijken niet na te denken over de zojuist voorgelezen zin en ik ben allergisch voor niet nadenken.

Wat me nog meer irriteert is misbruik van de punt voor zuiver esthetische doeleinden, zoals het tijdschrift Linda. dat doet. De punt na ‘Linda’ en voor ‘dat’ is geen typefout, want de titel van het blad is Linda met een punt: ‘Linda.’ dus. De punt die ze gebruiken is ook niet erg elegant maar een beetje opgezwollen, zodat hij sterk opvalt.

Mijn aandacht wordt altijd naar die rare punt achter ‘Linda’ getrokken. Hiermee promoveert Linda haar naam tot een volledige zin, waardoor een goed lezer vervolgens gedwongen wordt er over na te denken. Als ik nadenk over de betekenis van Linda ben ik snel klaar; ik word door de naam en de dame in kwestie geheel niet gexc3xafnspireerd. De enige functie van de opgezwollen punt is dat ze daarmee proberen Linda ook op te laten zwellen. De titel van het tijdschrift dan, hopelijk niet de dame, hoewel dat wel weer inspirerend zou zijn.

Mijn punt omtrent gebruik van de punt is dat ik er een punt van maak dat dat punctueel moet zijn. Enig gebruik buiten deze regel, en vooral toepassing voor het opblazen van woorden, waardeer ik met een 6 op de irrischaal. Punt.

Ontzettond

Doorgaans probeer ik geen kritiek te leveren op dialecten, want dat is wel erg gemakkelijk. Een dialect is streekgebonden en heeft met eigen regels en uitspraak nou eenmaal zijn eigen vorm. Ik luister graag naar dialecten: Limburgs, Brabants, Haags, Utrechts, Westfries, Twents, Amsterdams, noem maar op. Ik vind ze allemaal prachtig.

En toch. In de afgelopen maanden is er iets in mijn hoofd beginnen te pruttelen en langzaam is dit uitgegroeid tot een niet geringe irritatie. Exc3xa9n Amsterdamse uitspraak wordt sinds enige tijd zo vaak op radio en tv gebezigd dat ik er niet meer zonder lichte stuiptrekkingen naar kan luisteren: de -ond uitgang.

In een tv-reclame van 7-Up wordt beweerd dat het drankje dorstlessond en verfrissond is. Op zaterdagochtond gaat Nico Dijkshoorn ontzettond vroeg naar de Albert Kuyp om voor xc3xa9xc3xa9n achtonnegontig een enerverond pond peron te verslindon. Daar schrijft hij vervolgons een ontzettond mooi gedicht over, dat dan weer wel.

Ontzettond klinkt mooi rond, maar het voortduronde gebruik op radio en tv werkt irriterond. Hopond dat het niet terugkerond is, geef ik de Amsterdamse -ond een 4 op de irrischaal.

Hij is er!

Eerder dan verwacht is het boek van de drukker gekomen, dus vandaag is het vrijgegeven voor de boekhandels. Met enig geluk kun je de prettig schreeuwende omslag van Irritaal (met inhoud) morgen al in de boekhandel aantreffen en anders wordt het iets later in de boekenweek.

Ook ben ik vandaag te gast geweest bij het tv-programma Tijd voor MAX om te praten over mijn boek. Mijn eerste ervaring met tv was spannend, maar het gesprek was prettig en ontspannen. Hier vind je de aflevering.

Ja duh!

Mensen hebben een hekel aan praten. Het liefst zeggen de meesten niets, maar ze hebben toch een minimum aan communicatie nodig om hun bedoelingen aan anderen kenbaar te maken. Dus als er iets gezegd moet worden, dan proberen velen dat met een zo klein mogelijk aantal ademstoten.

In plaats van het vermoeiend lange Wat zeg je? kun je snel en zonder verlies aan betekenis Huh? of Hxc3xa8? zeggen. Ook het obligate en bijna overbodige Ik probeer even op mijn woorden te komen kan veel compacter als ehhh worden uitgesproken. Dit doet het ook veel beter in herhalingen, want ‘Ik ehhh vind ehh dat ehhh…’ klinkt nog altijd beter dan ‘Ik – ik probeer even op mijn woorden te komen – vind – ik probeer even op mijn woorden te komen – dat – ik probeer even op mijn woorden te komen…’

Een voordeel van dergelijke communicatie is dat het energiezuinig is: met groene communicatie kun je tegenwoordig voor de dag komen. Een zo hoog mogelijke informatiedichtheid inboodschappen spreekt mij ook wel aan, want dit biedt de minste kans opfouten of verwarring: comminicatie dus.

Ik denk niet dat dit soort korte eenwoordsduidingen zoveel aan populariteit hebben gewonnen omdat iedereen groen wil comminiceren, maar omdat men tegenwoordig minder tijd heeft om woorden uit te spreken en steeds luier en onbeleefder wordt. Deze maatschappelijke verschuiving heeft geculmineerd in de geboorte van een nieuwe eenwoordsduiding: Duh!, door velen graag gecombineerd met ja: Ja, duh!

Je spreekt duh niet uit als du (met een u als in mus) maar duhhu, het liefst op een zeurderige toon. Het betekent: ‘Ja, dat is zo overduidelijk, denk je dat ik achterlijk ben?’ Alleen al de gedachte aan het uitspreken van een dergelijk onoverzienbaar lange zin is uitermate vermoeiend. Daar beginnen we niet meer aan.

Als je mij op mijn nummer wilt zetten, vuur op mij dan maar een mooie volzin af in plaats van het beledigend en dom klinkende duh. Krijgt duh een 8 op de irrischaal? Ja, duh!