, ja,

De NOS-verslaggever: ‘Femke, wat is je gevoel nu je de halve finale mag zwemmen?’
Femke: ‘Ja, dat er erkenning is voor wat ik doe en ja, trots, en ja, eehhh, ja, ja, dat ik op dit resultaat verder kan bouwen.’

Wat een positief mens, die Femke Heemskerk. Vijf keer ja in een zin! Al die positiviteit moet wel tot betere zwemresultaten leiden, want met positief denken kun je alles verbeteren. Daar zijn voorbeelden te over van. De meeste van dit soort gedachtenstromen zijn behoorlijk new age en meestal vrij onschuldig, maar sommige kwakdenkers draven te ver door en beweren dat het je eigen schuld is dat je kanker hebt gekregen omdat je niet positief hebt gedacht. Gelukkig bleek onlangs dat positief denken ook schadelijk kan zijn. Daar hebben die kwakdenkers mooi nog geen antwoord op.

Femke is gelukkig veel te nuchter voor dit soort kronkels. Bovendien is ze veel te druk bezig met hard zwemmen, dat is veel belangrijker. Een symptoom van geforceerd positivisme is haar frequente ja dus niet. Ik neem het haar ook niet heel erg kwalijk. In iedere microfoon moet ze maar weer proberen sympathieke zinnen te zeggen en als ze bij het zeventiende interview toch probeert origineel te antwoorden dan moet ze af en toe even nadenken.

Weinig mensen kunnen tegen de stilte die valt tijdens nadenken. Daarom hebben velen de neiging die op te vullen met hoorbare smeermiddelen zoals ‘ja’, ‘eh’ of ‘he?‘. Ik moet mezelf helaas tot de eh-zeggers rekenen. Dat neemt niet weg dat dat me irriteert. Hoe hoger de frequentie van het stopwoord, hoe hoger de irritatie. Een goede maatstaf voor de irrischaal lijkt me het gemiddeld aantal keer dat een stopwoord in een zin wordt gebruikt.

Ja, daarom krijgt de ja van Femke Heemskerk een, jaja, 5 op de irrischaal.

Advertenties

2.0

Er wordt mij wel eens verweten dat ik niet opensta voor taalvernieuwing. Velen beweren dat taal altijd aan verandering onderhevig is – ik zal de laatste zijn om dat te ontkennen – en dat we alle vernieuwingen in de taal dus gretig moeten omarmen. Een veel gehoord argument is dat we tegenwoordig ook niet meer spreken en schrijven zoals honderd jaar geleden. Ook dat zal ik niet ontkennen. De taal past zich aan aan de veranderende maatschappij.

Je zult mij ook niet horen beweren dat de taal vroeger beter of onbedorven was. Vroeger was er ongetwijfeld ook taalbederf, maar dat is betrekkelijk: sommige veranderingen worden door de een als bederf gezien en door de ander als verrijking. Het mooie van taalverandering is dat het een democratisch proces is: als een nieuw woord door voldoende taalgebruikers als verrijking wordt gezien dan is de kans groot dat dat woord voor langere tijd wordt toegevoegd aan de algemeen gebruikte vocabulaire.

Waar ik wel grote moeite mee heb is de bewering dat we alletaalvernieuwingen moeten omarmen. We moeten ze dus niet alleenaccepteren, maar ook zelfs koesteren. Dat suggereert dat we geenmening over veranderingen in de taal mogen hebben en dat er wordtverwacht dat wij allen willoze napraters zijn.

Vernieuwingen in de taal zijn mijns inziens niet altijd een verbetering. Dat geldt ook voor de vernieuwing van het woord vernieuwing zelf: 2.0. Alles wat breekt met het oude of op een nieuwe manier wordt gedaan, wordt tegenwoordig aangeduid met 2.0. De kreet 2.0 is afkomstig van de term web 2.0, dat verwijst naar gebruik van nieuwe technologiexc3xabn in webpagina’s, maar wordt nu misbruikt voor bijna alles: mond-tot-mond 2.0, flashmob 2.0, overheid 2.0, werken 2.0 en ga zo maar door. Ook innovatie is tegenwoordig 2.0 en aangezien innovatie vernieuwing betekent, zou je dat dus ook 2.0 2.0 kunnen noemen.

Het werken met versies is gangbaar in de software-ontwikkeling. Als je van bepaalde software een versie 2.0 tegenkomt, dan zal daar ongetwijfeld een versie 1.0 aan vooraf zijn gegaan. Ook liggen hogere versies in de lijn der verwachting: 2.1, 2.2, 2.5, 3.0 enzovoorts. Dit systeem is nu kennelijk ook van toepassing op woorden.

Als werken 2.0 bestaat (het nieuwe werken), dan suggereert dat dat er vroeger ook werken 1.0 (het oude werken) bestond. De term ‘werken 1.0’ heb ik echter nog nooit gezien. En wat gebeurt er als het huidige nieuwe werken weer op een andere manier gaat? Wordt het dan werken 2.1? Of werken 3.0? En wie bepaalt dat? Het is goed voorstelbaar dat uit het huidige werken 2.0 twee nieuwe stromingen ontstaan die beide nieuwer werken, maar net even op een andere manier. Krijg je dan werken 2.1a en 2.1b? Of werken 2.1.1 en werken 2.1.2? Voor je het weet hebben we een Nederlands Instituut voor Woordversies nodig dat van ieder woord en iedere versie de exacte dekking moet bijhouden.

Als je een beetje hip en bij de tijd wilt overkomen dan kun je niet anders dan ook 2.0 gaan. 2.0 is niet meer dan een weerzinwekkend populair neologisme dat uitsluitend dient om erbij te horen. Bij wie is meestal onduidelijk, maar erbij schijnt voldoende te zijn. Zodra je jezelf 2.0 noemt dan straal je autoriteit en expertise uit. Imago 2.0 is je beste vriend.

Ik vind taal 2.0 volkomen nul komma nul, dus die krijgt van mij een 10.0 op de irrischaal.

Gratis liter weken

Bij Shell moeten ze hebben gedacht: kom, het is komkommertijd en er zullen de komende weken naar verwachting bitter weinig mensen komen tanken, dus laten we eens een actie bedenken waar werkelijk niemand iets aan heeft. Op grote spandoeken bij Shellstations is daarom nu de volgende tekst te lezen: Gratis Liter Weken.

Het kan niet gaan over een aantal weken waarin je een gratis liter kunt winnen, want anders zou er wel gratisliterweken hebben gestaan. Nee, Shell is genereus voor mensen die thuis nog een liter over hadden die ze maar niet konden weken. Die liter kun je nu dus gratis bij een Shellstation laten weken. Welk doel dat dient ontgaat mij volkomen, maar Shell heeft ongetwijfeld uitgebreid marktonderzoek gedaan en vastgesteld dat veel mensen deze behoefte hadden.

Wat is er toch aan de hand met reclamemakers en overbodige spaties? Het is te gemakkelijk om te veronderstellen dat ze de Nederlandse taal niet goed beheersen, want het is hun vak om met taal de juiste boodschap over te brengen. Ik vermoed dat ze denken dat hun doelgroep het Nederlands niet goed beheerst en onmenselijk lange woorden als gratisliterweken niet goed kan lezen. Woorden langer dan vijf letters zijn kennelijk onoverkomelijk lang voor de Shellklant.

Ik stel voor dat de reclamemakers van Shell hun slogans iets langer in de week leggen om ze te ontdoen van overbodige spaties. De Gratis Liter Weken krijgen van mij een gratis 7 op de irrischaal.

Ik ben niet zo van de

Een moeder met kinderwagen kwam de winkel binnen. Deze mevrouw werd kennelijk wel tot het kopend publiek gerekend, dus de winkelbediende sloeg mij over. Ik ving het gesprek tussen hen op.

‘Mevrouw, bent u naar iets op zoek?’
– ‘Ja, ik zoek een kadootje voor een kind, een meisje.’
‘Ik heb bijvoorbeeld een haardoekje met een leuk patroon.’
– ‘Tja, ik weet niet of van wie zij is daar zo van is.’

Het meisje is van een ouder en de ouder is niet zo van de haardoekjes. Het is vrij normaal om te zeggen dat een kind van een ouder is, maar is het wel zo normaal om te zeggen dat iemand (niet zo) van de haardoekjes is? Het is menselijk om ergens bij te willen horen, maar ik vraag me af of iemand bij de haardoekjes wil horen, of zelfs eigendom van de haardoekjes wil zijn. Het is eerder andersom: de haardoekjes horen niet zo bij jou. Je zou dus eigenlijk moeten zeggen: ‘De haardoekjes zijn niet zo van mij,’ maar dat wordt volgens mij ook niet bedoeld.

Wat wordt bedoeld is: ‘ik hou niet zo van haardoekjes,’ maar kennelijk is houden van ook al aan inflatie onderhevig en wordt dus niet sterk genoeg meer bevonden. Pas als je ergens van bent overtuig je iemand van je voorkeuren, maar ongemerkt devalueer je daarmee jezelf tot een onderschikte van een object of een onderwerp.

Ik ben wel van Balen maar ik ben geheel niet van ik ben niet zo van, dus ik ben zoiets van de 9 op de irrischaal voor deze zeer besmettelijke kreet.

Als beste getest

Ondanks het massale aanbod van producten dat ons als consumenten overspoelt, kopen we niet willekeurig een digitale camera, televisie, computer, verzekering of reis. Eerst gaan we alles uitgebreid vergelijken en daarvoor is een heel arsenaal aan vergelijkingssites voorhanden. Je kunt tegenwoordig zelfs vergelijkingssites vergelijken.

Het lijkt wat overdreven om vergelijkingssites te vergelijken, maar je wilt voordat je iets koopt toch wel weten of de informatie op een vergelijkingssite betrouwbaar is. Een beetje vergelijkingsite heeft ook testresultaten van vergelijkbare producten. Je moet je keuze immers kunnen funderen op objectieve testresultaten.

Sommige haarklovers scheppen er een heimelijk genoegen in om met aan autisme grenzende concentratie de kleinste productdetails te bestuderen, maar de meeste mensen willen gewoon snel weten wat het beste product is. Dus wat zetten vergelijkingssites met grote letters bij het beste product? Als beste getest.

Wacht even. Een test moet toch objectieve resultaten geven en alle producten op dezelfde manier behandelen? Maar als er één als beste wordt getest, dan is er voorafgaand aan de test blijkbaar al een selectie geweest en is daar één product als beste uit gekozen. Dan heeft de test ook niet veel zin meer. Of bedoelen ze misschien dat dat ene product het beste is getest en dus uitgebreidere proeven heeft ondergaan? Dat lijkt me ook niet helemaal eerlijk.

Wat ze bedoelen is dat een bepaald product de beste testresultaten gaf, maar dat kopt natuurlijk niet lekker. Gelukkig zeggen steeds meer vergelijkingssites als beste uit de test. Dat is bondig genoeg voor een pakkende kop en – nog veel belangrijker – semantisch juist.

Als beste getest vind ik geen best staaltje taalgebruik en daarom komt dat in de middenmoot uit de irritest met een beste 6 op de irrischaal.

Completer

Albert Mantingh: ‘Jacco, wie vind jij de meest complete speelster van de twee: Serena of Venus?’
Jacco Eltingh: ‘Ik vind Serena completer dan Venus.’

Het commentaar wordt afgekapt door het reclameblok, want de game is afgelopen. Normaal schakel ik dan snel over, maar nu niet. De pauzes tussen de games zijn gelukkig kort en de reclameblokken dus ook. Dit keer probeert Opel auto’s aan te prijzen met de tekst: ‘De meest complete deal maakt u bij Opel.Hier vindt u een ruime keuze aan speciale modellen die nu stuk voorstuk extra compleet zijn uitgerust.

Het zal wel aan mij liggen, maar ik dacht dat compleet ‘helemaal’ of ‘volkomen’ betekende. Compleet duidt dus een uiterste, een maximum aan; er bestaat niets dat meer is dan datgene dat met compleet wordt aangeduid. Kennelijk zit ik mis, want compleet kan blijkbaar completer. Completer dan completer is extra compleet en de overtreffende trap van extra compleet is blijkbaar het meest compleet.

Als er niets completer is dan meest compleet, dan zijn compleet, completer en extra compleet overbodig geworden, want er kan maar xc3xa9xc3xa9n ding het maximum zijn. Ik zal Ruud Hendrickx verzoeken deze woorden uit de Van Dale te verwijderen. Misschien dat ik zo weer in een goed blaadje kom bij de hoofdredactie.

Alle overstijgingen van compleet vind ik complete onzin, dus als iemand het in zijn hoofd haalt iets het meest compleetst of extra completer te vinden, dan kan die van mij een meest extra completerste 8 op de irrischaal verwachten.