Aangeven

Dat premier Balkenende geen natuurlijk overwicht uitstraalt en hard moet werken aan zijn statuur, weet iedereen. Hij blijft zijn uiterste best doen om als leider over te komen en de personificatie van de VOC-mentaliteit te worden, maar het wil nog steeds niet echt lukken.

Een doorzettertje is het wel. Hij blijft steeds nieuwe methoden proberen om zijn natuurlijke autoriteit op te vijzelen, maar iets wat er niet is valt lastig te verbeteren. In ieder geval heeft hij zijn snelle gestamel al tot iets duidelijker hoorbare taal weten te vertragen. Of het ook begrijpelijker is geworden, daar twijfel ik nog over.

Aan zijn woordkeus besteedt hij ook aandacht. Ik vermoed dat velen denken dat zijn veelvuldig gebruik van het woord aangeven voortkomt uit gemakzucht, maar ik denk dat het een weloverwogen strategie is. Als je als de pachter van de waarheid en rechter over goed en kwaad wilt overkomen, dan zeg je niet: ‘Ik heb al meerdere keren gezegd dat…’, maar ‘Ik heb al meerdere malen aangegeven dat …’

Aangeven impliceert dat je een – ongetwijfeld door God gegeven – inzicht in de absolute waarheid hebt en dat je je discipelen een klein glimpje van je verlichte wijsheid laat zien. Als je iets gewoon zegt dan is dat een mening die zonder pardon van tafel kan worden geveegd. Jan Peter kan er niets aan doen, maar ook regententaal kan hem geen uitstraling van autoriteit geven.

Laat ik aangeven de aangever te willen zijn voor de bestrijding van aangeven. Als Jan Peter als eerste aangeeft dit woord niet meer te gebruiken, dan zal ik er geen 7, maar een 6 aan geven.

De keutel weer intrekken

De titel van dit stuk doet vermoeden dat er een plastisch en geurig verhaal volgt over toiletbelevenissen. Voordat ik dat ontken wil ik daar toch even dieper op in gaan. Het is namelijk van belang voor de afloop van dit verhaal.

Het zich ontlasten op het toilet is een persoonlijke en voor velen ontspannende bezigheid. De techniek van het poepen bespreek je niet zomaar met anderen. Als de kastanjepuree smeuxc3xafg de pot in glijdt er is weinig reden tot klagen. Even zitten en weg is het. Meestal zoek je dan ook geen bevestiging bij anderen dat dat toch wel heel erg fijn is. Het wordt een heel ander verhaal als je hoogconsistente kak hebt die indikt tot harde keutels.

Aan de weinige keren dat ik last van harde keutels had hecht ik geen warme herinneringen. Het kost al aardig wat buikspanning, zweet en concentratie om het projectiel voor de uitgang te manoeuvreren en dan moet de grootste inspanning nog worden geleverd. Bij de eerste aanzet tot uitwerping voel je al dat het niet past. Maar goed, er is geen weg terug en de pijn negerend test je dus de rekbaarheid van je kringspier tot het uiterste. Met wat endeldarmmassage probeer je – meestal tevergeefs – de kogel wat torpedovormiger te maken. Net als je besluit dat die harde klont er dan maar voor altijd in moet blijven zitten, kan de poort toch net ietsje verder open dan je dacht en wordt de bruine bom als een raket gelanceerd en butst hij bijkans het porselein.

Dit even om even vast te stellen dat het vrijwel onmogelijk is om een keutel in te trekken. Maar aan dat soort vieze praat waag ik me dus niet.

Er zijn mensen, vooral mensen die kantoren bevolken, die de kunst van het keutelintrekken schijnen te beheersen. In diverse vergaderingen heb ik collega’s namelijk horen beweren dat ze die keutel dan maar weer intrekken. Dat suggereert dat de keutel er al half uit hing, wat geen frisse gedachte is als je samen met die persoon in een kleine afgesloten ruimte zit. Vroeger was defaecatie een sociaal gebeuren en kon je volop genieten van het bouquet van alle aanwezigen, maar ik ben blij dat dat geen gewoonte meer is. Maar los daarvan, ik vraag me dan af hoe iemand het voor elkaar krijgt de al in gang gezette lancering af te breken en het geurende goed weer tot zich te nemen. Dat kun je alleen maar voor elkaar krijgen na jarenlange training. Toch maar eens bij de sportschool informeren of er misschien een cursus anusbeheersing voor gevorderden bestaat.

Als je plannetjes vergelijkt met keutels dan riekt er wat. Ik hoop dan vurig dat je plannetje nooit wordt geboren, maar plannetjes hebben nou eenmaal de onhebbelijke eigenschap dat juist wel te doen. Als je plannetje doorgaat komt de keutel er helemaal uit en als het niet doorgaat trek je de keutel weer in. In beide gevallen komt er iets onwelriekends uit. En vaak is er dan een andere collega die er ter goedkeuring nog even een plasje over moet doen. Nog even en we gaan als honden elkaars achterste besnuffelen.

Als ik collega’s poep- en plasmetaforen hoor gebruiken moet ik mij tot het uiterste inspannen om het beeld van een poepende collega, met alle bijkomende geuren en geluiden, te onderdrukken. Meestal verlies ik die strijd en blijft er een penetrante stank in mijn brein hangen, die ik een aromatische 9 op de irrischaal geef.

Lekker

Ik heb lekker weer een aanleiding om me eens lekker te ergeren aan een woord. Een woord dat niet zo opvalt maar zich lekker stiekem nestelt tussen woorden die wel op zijn plaats zijn in een zin. Pas als je er op gaat letten ontdek je lekker de wolf in schaapskleren.

Het woord vermenigvuldigt zich het lekkerst in omgevingen waar men probeert je je lekker te laten voelen. Ik ontdekte het woekerende wezen van dit genotswoord in een restaurant. Al bij binnenkomst masseerde het woord mijn gemoed om me lekker ontspannen te maken, maar in werkelijkheid verdoofde het mijn brein om me lekker te onderwerpen aan zijn verslavende werking. Lekker dan.

‘Goedenavond, zal ik uw jassen aannemen? Dank u wel. Lekker weertje hxc3xa8? Gelukkig is het hier binnen lekker warm. Gaat u alvast lekker zitten, dan kom ik straks om te vragen of u iets lekkers wilt drinken.’

Een warm welkom, maar al dat lekkers is verdacht. Als je zo vaak moet benadrukken dat iets lekker is, dan ben je of een serieleugenaar, of ben je je niet bewust dat je een lekkerjunk bent. Ik vermoed dat je lekker meer nodig hebt om jezelf dan iemand anders een lekker gevoel te geven, maar toch stort je die berg lekkers over iemand anders uit. Een lekkerverslaving is ernstig. Je mentale vat met lekker wordt steeds lekker, maar helaas nooit leger.

Lekker smaakt me naarmate ik het vaker hoor steeds minder lekker. Lekker belangrijk, zul je denken, maar dat weerhoudt mij er lekker niet van lekker een vieze 8 op de irrischaal te geven. Lekker puh.

Bizar

Er heeft zich afgelopen weekend een bizar weerfenomeen voorgedaan. Eerlijk gezegd had ik het niet opgemerkt en ook had het KNMI geen weeralarm afgegeven, maar gelukkig was daar Peter Timofeeff die ons bij de les hield.

Wat voor bizars heeft zich dan voorgedaan? Een allesvernietigende sneeuwstorm die Sneek heeft weggevaagd? Zware vorst met een ijsaangroei van dertig centimeter in een nacht? Een windhoos met een kracht van F5? Een lokale hittegolf in Hardenberg die de sneeuw smolt tot modderstromen en het dorp vlaklegde?

Nee. Dit fenomeen heeft zich nog nooit voorgedaan. Peter verhaalde er kleurrijk over tijdens het weerbericht en hield mij zo in spanning dat mijn nagelbijtmanie na 20 jaar spontaan weer terugkeerde. Dit was uniek, zeldzaam en curieus. Ik kon het bijna niet geloven, maar volgens Peter bleek het toch mogelijk dat het in het noorden van het land winters was met lichte vorst en dat het in Limburg zelfs zes graden was! Hoe bizar.

Als dit het Guinness Book of Records niet haalt dan weet ik het niet meer. Zo iets bizars heb ik nog nooit beleefd. Dat ik dat in mijn toch al veel te korte leven nog mag meemaken. Ik zie mezelf over dertig jaar al voor de open haard zitten met mijn kleinkinderen en heroïsch vertellen over de ontberingen die opa heeft moeten doorstaan in de winter van 2010. Man van het jaar werd uiteraard Peter Timofeeff, die ondanks de verschrikkingen die het klimaat over ons uitstortte fier overeind bleef om het lijdende volk te steunen en te waarschuwen voor de gevaren van het weer.

Ik ben benieuwd welke term Peter zal gebruiken als er echt eens een modderstroom of een zeer sterke windhoos in Nederland plaatsvindt. Het zal een bizarrer woord dan bizar moeten zijn. Het zonderlinge misbruik van bizar en de inflatie die het woord daardoor ondergaat, waardeer ik met een buitenissige 5 op de irrischaal.

De Duitsers kunnen er ook wat van

In Duitsland is het Unwort des Jahres verkozen. Betriebsratsverseucht. Dat is zoiets als een filiaal met een ondernemingsraad. Het had dus net zo goed kunnen winnen als stoffigste woord van het jaar.

Lees er meer over op www.unwortdesjahres.org. Wel een xc3xbcberhxc3xa4ssliches website trouwens. Haben wir sofort ein neuer Anwxc3xa4rter fxc3xbcr nxc3xa4chstes Jahr.

Drie keer niks

Niks is – afgezien van de spelling – ongelijk aan niets. ‘Wat?’ hoor ik je zeggen. ‘Niks en niets betekenen beide toch niet iets, noppes, niemandal, nul, geen moer?’

Toch is er een verschil. Het is namelijk wel mogelijk iets drie keer niks te vinden maar niet drie keer niets. Een voorbeeld: als je iemand vraagt wat hij of zij van de nieuwe CD van Frans Bauer vindt, dan is er maar xc3xa9xc3xa9n antwoord mogelijk: drie keer niks. Ik heb nog nooit iemand drie keer niets horen zeggen.

De uitspraak drie keer niks suggereert ook dat drie keer niks meer niks is dan een of twee keer niks. Of juist minder, want niks is niet iets. Wiskundig gezien is niks nul, dus drie keer niks is evenveel als ieder ander aantal keer niks, maar toch lijkt er in het taalgebruik wel een waarde ongelijk aan nul aan te worden gehecht.

Met drie keer niks wordt helemaal niks bedoeld. Dat stelt mij voor het volgende wiskundige conflict met de spreektaal: als drie keer niks helemaal niks is, dan is meer dan drie keer niks onmogelijk, want helemaler dan helemaal kan niet. Toch zou ik best iets kunnen verzinnen wat vier, vijf of twintig keer niks is. De vorige CD van Frans Bauer bijvoorbeeld.

Ja, ik weet het, taal is doorspekt met modaliteiten en houdt niet van absolute begrippen. Ik houd niet van een overdosis populariteiten en zeker niet als die absolute begrippen misbruiken. Daarom vind ik de uitspraak drie keer niks zeven keer 1. Of wortel 49. Of het atoomnummer van stikstof. Of het geluksgetal. Op de irrischaal.

Letterlijk

Het strooizout is op. Dat is in sneeuwrijke tijden geen goed nieuws. Menig burgemeester zit dan ook in zak en as, omdat de wegen steeds witter en gladder worden. Langzaam glijden we over de sneeuwhopen af naar chaos op de wegen. Veel burgemeesters smeken alle buurgemeenten of ze nog wat zout kunnen lenen.

Je zou verwachten dat burgemeesters amicaal en collegiaal met elkaar omgaan en elkaar graag wat lenen als ze iets over hebben. Niet dus, volgens een burgemeester die werd gexc3xafnterviewd op Radio 1. Ook als ze zout over hebben blijft het zoutdepot gesloten: eigen asfalt eerst. De zoutarme burgemeester was danig teleurgesteld in zijn ruimbezouten ambtsbroeders.

De interviewer: ‘U heeft dit dus letterlijk en figuurlijk bij uw collega’s aanhangig gemaakt?’
De zoutbehoeftige burgemeester: ‘Maar natuurlijk.’

Hij heeft het dus letterlijk aanhangig xc3xa9n figuurlijk aanhangig gemaakt. Ik ben toch benieuwd wat daar het verschil tussen is. Iets aanhangig maken is een gezegde dus van zichzelf al figuurlijk. Hoe maak je dan iets letterlijk aanhangig? Volgens de letter van het woord, dus precies zoals het er staat, zou je verwachten dat je dat iets ergens aan hangt, maar met iets wat je niet hebt – het zout in dit geval – is dat wat lastig.

Letterlijk kan volgens Van Dale ook geheel en al betekenen. Dat lijkt me voor de hand liggend: als je een zouttekort aanhangig maakt bij anderen, dan doe je dat volledig. Het wordt wat ingewikkeld als je het op zijn van het zout half onder de aandacht brengt bij collega’s. ‘Die andere helft van het op zijn daar doen we niet moeilijk over hoor, die mag je negeren.’

Letterlijk wordt steeds vaker gebruikt om iets te benadrukken, zonder dat dat letterlijk moet worden opgevat. Van letterlijk blijft dus letterlijk niets aan betekenis over en krijgt het van mij een cijfermatig modderfiguur in de vorm van een 7 op de irrischaal.