…van deze wereld

Geloof jij dat UFO’s vanuit het heelal komen? Dat buitenaardsen op aarde zijn geweest? Of erger nog, dat ze gewoon onder ons leven? Ik wel. En ik heb er nog bewijs voor ook.

Bewijs, daar draait het om. Als je beweert bewijs te hebben voor het bestaan van ET, dan moet je niet aankomen met een vaag amateurfilmpje met een door het zwerk vliegende pannenkoek die voor schotel door moet gaan, ook niet met overduidelijk door mensen gemaakte graancirkels of met ontvoeringsverhalen. Nee, ik heb het hier over keihard, onomstotelijk bewijs. Niemand beseft dat dat bewijs overal om ons heen is. We horen het iedere dag meerdere keren. Dat is nu juist het listige van die buitenaardsen: ze doen zich zo normaal voor dat niemand ze door heeft. Maar ik wel.

Ik heb ze door en ik zal ze nu ontmaskeren. Let maar eens op: iemand die de zinsnede van deze wereld gebruikt, geeft daarmee onbedoeld prijs dat hij niet alleen deze wereld kent, maar ook nog andere. Dat kan niets anders dan een bezoeker uit de ruimte zijn. Op de radio hoor ik vrijwel dagelijks uitspraken als: ‘ik ben niet zo van de MTV’s van deze wereld‘, of ‘de Shells en de Totals van deze wereld zijn veel te machtig.’

Haha! Betrapt! Er zijn zo veel mensen die – wacht even, zijn het wel mensen? – zich met deze zeer verdachte uitspraak blootgeven, dat het overduidelijk is dat de buitenaardsen ons aan het infiltreren zijn. Ik heb altijd al geweten dat er een samenzwering is om ons onbeduidende mensjes uit te roeien. En de regering weet er natuurlijk van, maar ze kunnen niet tegen die verrekte aliens op. De X files waren gewoon allemaal waar.

We moeten ondergronds gaan. Een plan bedenken om ze te verdrijven. Fysiek zijn ze veel te sterk dus we moeten het met mentale krachten doen. Ik heb het vermoeden dat de buitenaardsen gevoelig zijn voor irritatiehersengolven. Als we bij het horen van van deze wereld nu eens allemaal een irritatiegolf van 8 op de irrischaal op ze instralen, dan denk ik dat ze spontaan zullen verschrompelen en we zo de ondergang van de mensheid kunnen keren. Maar hou het geheim, ze mogen ons niet betrappen. Op ónze wereld.

Letterlijk

Het strooizout is op. Dat is in sneeuwrijke tijden geen goed nieuws. Menig burgemeester zit dan ook in zak en as, omdat de wegen steeds witter en gladder worden. Langzaam glijden we over de sneeuwhopen af naar chaos op de wegen. Veel burgemeesters smeken alle buurgemeenten of ze nog wat zout kunnen lenen.

Je zou verwachten dat burgemeesters amicaal en collegiaal met elkaar omgaan en elkaar graag wat lenen als ze iets over hebben. Niet dus, volgens een burgemeester die werd gexc3xafnterviewd op Radio 1. Ook als ze zout over hebben blijft het zoutdepot gesloten: eigen asfalt eerst. De zoutarme burgemeester was danig teleurgesteld in zijn ruimbezouten ambtsbroeders.

De interviewer: ‘U heeft dit dus letterlijk en figuurlijk bij uw collega’s aanhangig gemaakt?’
De zoutbehoeftige burgemeester: ‘Maar natuurlijk.’

Hij heeft het dus letterlijk aanhangig xc3xa9n figuurlijk aanhangig gemaakt. Ik ben toch benieuwd wat daar het verschil tussen is. Iets aanhangig maken is een gezegde dus van zichzelf al figuurlijk. Hoe maak je dan iets letterlijk aanhangig? Volgens de letter van het woord, dus precies zoals het er staat, zou je verwachten dat je dat iets ergens aan hangt, maar met iets wat je niet hebt – het zout in dit geval – is dat wat lastig.

Letterlijk kan volgens Van Dale ook geheel en al betekenen. Dat lijkt me voor de hand liggend: als je een zouttekort aanhangig maakt bij anderen, dan doe je dat volledig. Het wordt wat ingewikkeld als je het op zijn van het zout half onder de aandacht brengt bij collega’s. ‘Die andere helft van het op zijn daar doen we niet moeilijk over hoor, die mag je negeren.’

Letterlijk wordt steeds vaker gebruikt om iets te benadrukken, zonder dat dat letterlijk moet worden opgevat. Van letterlijk blijft dus letterlijk niets aan betekenis over en krijgt het van mij een cijfermatig modderfiguur in de vorm van een 7 op de irrischaal.

Respect

Er was eens een woord. Het was een prettig aanvoelend, positief woord. Mensen die het woord hoorden kregen spontaan een warm gevoel van binnen en ervoeren een sprankje zuiver geluk. Het woord spoorde mensen aan het ook tegen andere mensen te zeggen zodat ook die gelukkiger werden.

Het ging lang goed met het woord. Hoe vaker het werd gezegd, hoe vrolijker het het volk maakte. Het werd gekoesterd en velen vonden dat er geen mooier woord bestond. Het had geen spoor van negativiteit. Er gingen zelfs stemmen op om het woord een koninklijk predicaat te geven. Het was zelfs zo geliefd dat de verheffing van het woord tot cultureel erfgoed vele politieke agenda’s haalde.

Tot op een zwarte dag het woord iets van zijn glans verloor. Weinigen hadden het zien aankomen, maar toen dat eenmaal was gebeurd, was er geen weg meer terug. Het woord had de hersenen van het volk verdoofd en geleidelijk begonnen mensen de betekenis van het woord te vergeten. Het woord had zich zo diep in hun hoofden geworteld dat mensen het zomaar, zonder aanleiding zeiden.

De betekenis van het woord werd allengs onduidelijker, maar het gebruik van het woord nam alleen maar toe. Tot, op een zekere dag, bijna niemand meer wist wat het betekende. Mensen zeiden het zelfs als ze elkaar tegenkwamen of afscheid namen, omdat ‘hallo’, ‘dag’ of ‘hxc3xa9’ in onbruik waren geraakt.

Het woord werd minder en minder geliefd. Na zeven donkere jaren van rampspoed betekende het woord het tegenovergestelde van wat het oorspronkelijk betekende. Het werd je laatdunkend toegeworpen als iemand je had opgemerkt maar geen zin had om je verder ook maar een blik waardig te gunnen. Mensen kregen een hekel aan het woord.

De koning vond het zo langer niet kunnen en vaardigde een decreet uit van 7 op de irrischaal. Als bij toverslag was het volk genezen en het volk beloofde de koning plechtig het woord nooit meer ijdel te gebruiken. Respect had zijn werkelijke betekenis hervonden. En het leefde nog lang en gelukkig.

Passie

Iedere sollicitant heeft het. Iedere kok heeft het. Iedereen die dansjes op tv doet heeft het. Iedere deelnemer in een wegstem-tv-programma heeft het. Jezus Christus had het. Sinds kort heeft Mart Smeets het ook, of – mag ik dat zeggen, ja dat mag ik zeggen – hij had het al langer maar typeert zijn vooral op zich zelf indruk wekkende carrixc3xa8re er mee. Ik vermoed dat zelfs de daklozenkrantventer het heeft. En ik heb het niet.

Passie.

Passie, passie, passie. Stapelgek word ik van dat woord. Je mag niets meer doen zonder passie. Het is een ongeschreven regel. Als je niet overduidelijk je passie laat blijken dan word je niet gehoord, dan ben je een grijs en zielig geval dat vervaagt in de massa. Je werk moet je met passie doen, sporten moet met passie, schrijven moet met passie, in de regen wachten op een bus moet met passie, je broek ophalen moet met passie, ja zelfs passie beleven moet met passie. Zonder passie lijkt het leven zinloos.

Ik vind veel dingen leuk om te doen en aan sommige beleef ik zelfs intens plezier, maar passie? Ik vrees dat ik het niet of zelden heb. Met hartstocht jezelf volledig overgeven aan iets en er in opgaan tot je genot je tot een extatisch hoogtepunt drijft: heerlijk moet het zijn, maar ik heb het niet.

Zelfs het met weinig zelfspot behepte instituut dat Mart Smeets heet heeft het en ik niet. Noem me een gevoelloze ploert, maar ik vind passie het meest misbruikte opblaaswoord dat er is. Het enige waar ik wellicht passie voor kan voelen is het bestrijden van het woord passie. Het mag duidelijk zijn: ik pas voor passie een geef dit woord een 9 op de irrischaal.

Populolbroek

Er zit er altijd wel eentje tussen op een feestje.

Hee gozer, goeiedagschotel. Alles flex? Goooeeed. Vet gezellie man: feessie, lekkere chickies, dode beesten op de barbeknoei en knallen met die ballen.

Tering, droge lucht hier man! Doe mij effe een zuipie. Dan gaan we zwaar relax man in die tuin. Vette chill. Heineuken of Snols? Introduceert me niks weetje. In prinspiepel zal mij het aan de anus oxideren, dus houdoe en bedankt olxc3xa9 olxc3xa9! Suczeven!

Monumentje, hou je giecheltje effe want m’n vibrator gaat af. Hee, het vrouwtje wil vanavonond nog effe klussen, dus ik ga snel van smikkelenstein en dan van pleithuizen, want de balspanning wordt te hoog. De groente, tot sinas en auf wienerschnitsel!

Een vriendelijk verzoek aan eenieder die de illusie heeft dat het excessief tentoonspreiden van populaire en veelal moppig bedoelde taaluitingen, met als doel door de aanwezige personen en door de vrouwlijke aanwezigen in het bijzonder, geaccepteerd, of volgens een allicht ijdele hoop attractief gevonden te worden, of om het even welk ander doel dan ook, zich hier in het vervolg van te onthouden, aangezien dit voor allen, uitgezonderd diegenen die zich van het verwetene bedienen, maar in ieder geval voor mij in flagrant hoge mate, uiterst onbehaaglijke gevoelens kan oproepen met als onvermijdelijk gevolg een neergang van de plezierige en intieme sfeer, opdat ik mij niet meer genoodzaakt zie u te beboeten met een 10 op de irrischaal. Hartelijk dank.

100%

Angst om niet geloofd te worden, dat moet het zijn. Als er in je uitspraken ook maar een zweem van twijfel doorklinkt, dan wordt dat direct als een proeve van zwakte gezien. De wetten van de evolutie gelden ook voor de taal: de sterkste overwint. Daarom gebruiken steeds meer mensen woorden die uiterste zekerheid uitstralen: absoluut, ultiem, helemaal of ‘ik ben tot het inzicht gekomen dat’ (dit stuk staat alleen in het boek). Het is een overlevingsstrategie. Een immer populaire uitspraak in deze categorie is 100%.

Een voorbeeld: tijdens het eerste competitieweekend in de eredivisie werd na een overtreding tegen een AZ-speler geen penalty toegekend. Tijdens het interview na de wedstrijd zei Ronald Koeman: ‘Ja, ik heb het al gezien. Dat was een 100% penalty.’ Koeman bedoelde te zeggen dat er geen twijfel bestond dat die overtreding met een penalty bestraft had moeten worden, maar het probleem met procenten is dat ze relatief zijn. Ze gelden altijd ten opzichte van een zekere grootheid of een bepaald gegeven. Een 100% penalty moet dus ten opzichte van iets gelden, maar van wat dan? 0% penalty? Of 1% penalty? Dat suggereert dat er ook zoiets als een 50% penalty zou kunnen bestaan. Moet de speler hem in dat geval hinkelend op xc3xa9xc3xa9n been nemen?

Nog een voorbeeld: op de vraag aan Fred Teeven of minister Hirsch Ballin er juist aan had gedaan om pokeren buiten de Holland Casino’s te legaliseren, antwoordde hij: ‘Daar ben ik het 300% mee eens.’ Laten we aannemen dat 100% volkomen is. Dan betekent 300% dus dat Fred Teeven volkomen zeker is dat hij de volkomenheid van zijn eens zijn met de beslissing van de minister, volkomen vindt. Is dat niet iets teveel van het goede? Het wordt bijna ongeloofwaardig.

Een andere, veel gehoorde uitspraak is: ‘Ik heb me 110% gegeven.’ Dat is vreemd. Gewoonlijk betekent 100% het maximum; meer kan niet. Als je je 110% hebt gegeven, dan is dat je werkelijke maximum en dat maximum is dan gelijk aan 100%. Eigenlijk heb je je dus 110% van 90,9090% gegeven. Waarom zou je je gesprekspartner opzadelen met deze lastige en weinig relevante rekensommen?

Zonder gerelateerde grootheid zegt 100% dus niet zo veel; 110% en 300% doen dat evenmin. Daarom geef ik alle loze percentages 125% van een 5,6 op de irrischaal.

Retro-vintage

Sinds Jacques d’Ancona in de jaren 80 de bril definitief tot modeaccessoire heeft verheven, ben je tegenwoordig bijna verplicht om ieder jaar weer de laatste hippe bril aan te schaffen. Volgens de reclamemakers dan.

Toch blijft het lastig om ieder jaar weer iets nieuws te verzinnen. Een nieuw montuurtje is zo getekend, dat is het probleem niet, maar hoe gaan we het noemen? Voor de nieuwste trend moet een pakkend woord worden verzonnen om de modegevoelige klant over te halen een nieuwe bril te kopen die hij waarschijnlijk niet nodig heeft. Dat blijkt toch knap lastig. Nederlandse woorden zijn uit den boze, want alleen Engelse woorden kunnen de potentixc3xable klant verleiden; dat is het credo van iedere marketeer.

Eind 2008 klonk er gezucht en gesteun uit het hoofdkantoor van de nationale brillenbranche. Ze hadden in de voorgaande jaren hun nieuwe brillen al hip, punk, trendy, freestyle, street, bling bling en underground genoemd en toen waren de woorden op. Wat doe je dan? Je huurt een ridicuul duur marketingbureau in om een nieuwe kreet te verzinnen. En waar kwam dat bureau mee op de proppen voor de nieuwe brillenlook voor 2009? Retro-vintage.

Retro-vintage? Het is dus niet alleen retro, maar ook nog eens vintage. Retro betekent dat je zo weinig fantasie hebt dat je maar weer teruggrijpt op ontwerpen uit het verleden en vintage betekent dat je een bril draagt die minstens zo’n 40 jaar oud is. Een retro-vintage bril is dus een oude bril volgens een oud ontwerp. Een meesmuilend ja, duh! brandt op mijn vingertoppen, maar ik kan me nog net beheersen. Ooit een oude bril volgens nieuw ontwerp gezien?

Het lijkt me sterk dat de opticiens in Nederland alle oude brillen van rommelmarkten en andere kringloopcircuits hebben opgekocht om ze als retro te verkopen. Toch is dat wat ze beweren. Ik koop dit jaar maar eens geen bril. Mijn oude bril is waarschijnlijk nog nieuwer dan de rommel van de opticien.

Ik doe een ouderwetse greep naar de irrischaal en geef retro-vintage een overrijpe 8.