Gremium

Heb je ook wel eens de behoefte gevoeld om je collega’s met een prachtig, zeldzaam en moeilijk woord te overdonderen? Zo’n woord dat wanneer je het zegt alle aanwezigen doet verstommen en je vol ontzag en bewondering laat aanschouwen? Een woord waarvan jij wxc3xa9l weet wat het betekent en waar een enorme intelligentie van uitgaat? Zo’n woord dus.

Het valt niet mee om er eentje te vinden, maar soms is er een collega die denkt daarin geslaagd te zijn. Die collega is dan vervolgens zo tevreden met zijn trouvaille dat hij het woord gaat cultiveren en het te pas en te onpas gebruikt. Dit overkwam ook een projectleider waarmee ik ooit samenwerkte.

Zodra er een onderwerp werd aangesneden wat in projectleiderstaal out of scope was, deed hij dat af met: ‘… maar dat is een heel ander gremium.’ Bijvoorbeeld: ‘We richten ons nu op logische toegangsbeveiliging, maar fysieke toegangsbeveiliging is een heel ander gremium.’

Gremium. Wat een prachtig woord. En het mooie van zo’n woord is dat het nog werkt ook. Zodra hij het zei was iedereen stil en keek wat ongemakkelijk om zich heen. Het was duidelijk dat niemand precies wist wat het betekende, maar dat niet durfde te zeggen. De meesten zullen uit de context van de zin hebben aangenomen dat gremium iets als kennisgebied of expertise betekende.

Als ik een woord hoor dat ik niet ken, dan zoek ik het direct op. Gremium betekent adviescollege of een college van vertegenwoordigers. Ondernemingsraden en de Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn gremia. Dit toegepast op de taal van de projectleider geeft bijzondere zinnen: ‘We richten ons nu op logische toegangsbeveiliging, maar fysieke toegangsbeveiliging is een heel ander college van vertegenwoordigers.’

Ik heb weinig bezwaren tegen gebruik van dure woorden – ik ben daar zelf ook niet vies van – maar als je dat doet, neem dan wel even de moeite om de betekenis op te zoeken. Anders is het gebruik van dat soort woorden juist geen proeve van intelligentie. Gelukkig bestaat het gremium Irritaal. Dat adviescollege van taalergeraars bestraft abusievelijke utilisatie van eminente woorden als gremium met een 5 op de irrischaal.

Advertenties

Aangeven

Dat premier Balkenende geen natuurlijk overwicht uitstraalt en hard moet werken aan zijn statuur, weet iedereen. Hij blijft zijn uiterste best doen om als leider over te komen en de personificatie van de VOC-mentaliteit te worden, maar het wil nog steeds niet echt lukken.

Een doorzettertje is het wel. Hij blijft steeds nieuwe methoden proberen om zijn natuurlijke autoriteit op te vijzelen, maar iets wat er niet is valt lastig te verbeteren. In ieder geval heeft hij zijn snelle gestamel al tot iets duidelijker hoorbare taal weten te vertragen. Of het ook begrijpelijker is geworden, daar twijfel ik nog over.

Aan zijn woordkeus besteedt hij ook aandacht. Ik vermoed dat velen denken dat zijn veelvuldig gebruik van het woord aangeven voortkomt uit gemakzucht, maar ik denk dat het een weloverwogen strategie is. Als je als de pachter van de waarheid en rechter over goed en kwaad wilt overkomen, dan zeg je niet: ‘Ik heb al meerdere keren gezegd dat…’, maar ‘Ik heb al meerdere malen aangegeven dat …’

Aangeven impliceert dat je een – ongetwijfeld door God gegeven – inzicht in de absolute waarheid hebt en dat je je discipelen een klein glimpje van je verlichte wijsheid laat zien. Als je iets gewoon zegt dan is dat een mening die zonder pardon van tafel kan worden geveegd. Jan Peter kan er niets aan doen, maar ook regententaal kan hem geen uitstraling van autoriteit geven.

Laat ik aangeven de aangever te willen zijn voor de bestrijding van aangeven. Als Jan Peter als eerste aangeeft dit woord niet meer te gebruiken, dan zal ik er geen 7, maar een 6 aan geven.

De keutel weer intrekken

De titel van dit stuk doet vermoeden dat er een plastisch en geurig verhaal volgt over toiletbelevenissen. Voordat ik dat ontken wil ik daar toch even dieper op in gaan. Het is namelijk van belang voor de afloop van dit verhaal.

Het zich ontlasten op het toilet is een persoonlijke en voor velen ontspannende bezigheid. De techniek van het poepen bespreek je niet zomaar met anderen. Als de kastanjepuree smeuxc3xafg de pot in glijdt er is weinig reden tot klagen. Even zitten en weg is het. Meestal zoek je dan ook geen bevestiging bij anderen dat dat toch wel heel erg fijn is. Het wordt een heel ander verhaal als je hoogconsistente kak hebt die indikt tot harde keutels.

Aan de weinige keren dat ik last van harde keutels had hecht ik geen warme herinneringen. Het kost al aardig wat buikspanning, zweet en concentratie om het projectiel voor de uitgang te manoeuvreren en dan moet de grootste inspanning nog worden geleverd. Bij de eerste aanzet tot uitwerping voel je al dat het niet past. Maar goed, er is geen weg terug en de pijn negerend test je dus de rekbaarheid van je kringspier tot het uiterste. Met wat endeldarmmassage probeer je – meestal tevergeefs – de kogel wat torpedovormiger te maken. Net als je besluit dat die harde klont er dan maar voor altijd in moet blijven zitten, kan de poort toch net ietsje verder open dan je dacht en wordt de bruine bom als een raket gelanceerd en butst hij bijkans het porselein.

Dit even om even vast te stellen dat het vrijwel onmogelijk is om een keutel in te trekken. Maar aan dat soort vieze praat waag ik me dus niet.

Er zijn mensen, vooral mensen die kantoren bevolken, die de kunst van het keutelintrekken schijnen te beheersen. In diverse vergaderingen heb ik collega’s namelijk horen beweren dat ze die keutel dan maar weer intrekken. Dat suggereert dat de keutel er al half uit hing, wat geen frisse gedachte is als je samen met die persoon in een kleine afgesloten ruimte zit. Vroeger was defaecatie een sociaal gebeuren en kon je volop genieten van het bouquet van alle aanwezigen, maar ik ben blij dat dat geen gewoonte meer is. Maar los daarvan, ik vraag me dan af hoe iemand het voor elkaar krijgt de al in gang gezette lancering af te breken en het geurende goed weer tot zich te nemen. Dat kun je alleen maar voor elkaar krijgen na jarenlange training. Toch maar eens bij de sportschool informeren of er misschien een cursus anusbeheersing voor gevorderden bestaat.

Als je plannetjes vergelijkt met keutels dan riekt er wat. Ik hoop dan vurig dat je plannetje nooit wordt geboren, maar plannetjes hebben nou eenmaal de onhebbelijke eigenschap dat juist wel te doen. Als je plannetje doorgaat komt de keutel er helemaal uit en als het niet doorgaat trek je de keutel weer in. In beide gevallen komt er iets onwelriekends uit. En vaak is er dan een andere collega die er ter goedkeuring nog even een plasje over moet doen. Nog even en we gaan als honden elkaars achterste besnuffelen.

Als ik collega’s poep- en plasmetaforen hoor gebruiken moet ik mij tot het uiterste inspannen om het beeld van een poepende collega, met alle bijkomende geuren en geluiden, te onderdrukken. Meestal verlies ik die strijd en blijft er een penetrante stank in mijn brein hangen, die ik een aromatische 9 op de irrischaal geef.

Professioneel

Ik heb zojuist de oplossing voor het werkloosheidsprobleem gevonden. Binnenkort hoeft niemand meer verplicht te solliciteren, want er is voor iedereen een baan voorhanden. En het mooie is dat iedereen die kan liggen voor deze baan is gekwalificeerd.

Misschien geef ik mijn eigen baan ook wel op voor deze nieuwe bezigheid. Uitdaging wil ik het niet noemen, ten eerste omdat uitdaging een bloedirritant woord is en ten tweede omdat dit werk niet veel van je vraagt. Je kunt het zelfs slapend doen. Wat wil je nog meer?

Dit zo’n goed idee dat het zelfs de economische crisis kan oplossen. Die ridderorde en Nobelprijs voor de economie heb ik al half binnen. Wat zal minister Bos trots op me zijn! Ik laat je niet langer in spanning: de nieuwe baan voor iedereen is namelijk professioneel zonnen.

Wat moet dat heerlijk zijn, ’s ochtends op de fiets naar de zonnebankstudio, heerlijk onderuit onder de kunstmatige zon en ’s avonds weer terug met de mooist denkbare aprxc3xa8s-skitint. Wel even oppassen dat je niet te veel UV-straling opvangt natuurlijk. Mocht het toch misgaan dan zorgt dit nadeel ook voor een economisch voordeel: een nieuwe arbeidsimpuls in de oncologie.

Wat? Bedoelen ze bij Sunday’s juist nxc3xadxc3xa9t dat je van beroep zonner moet worden? Wat dan? Zonnen als een vakman? Vast niet, want dat verwijst ook naar iemand die zont voor de kost. Ik krijg een zongetint vermoeden dat Sunday’s professioneel verwart met zorgvuldig of verantwoord. Waren alle professionals maar verantwoord bezig. Vraag maar aan Dirk Scheringa.

Als taalamateur ben ik zorgvuldig genoeg om professioneel zonnen bij Sunday’s een verantwoorde 7 op de irrischaal te geven.

Hersluitbare dop

Hoe zou de wereld er uit zien zonder moeders? Chaotisch. Moeders leren je immers om je spullen  op te ruimen, je vieze sokken in de wasmand te gooien en  een pak vla weer netjes dicht te doen nadat je dat hebt gebruikt. Je wilt – of eigenlijk je moeder wil – niet dat de bubbels uit de cola gaan of dat de Yoki Drink zuur wordt.

De verpakkingsindustrie heeft zich danig aan deze opruimdrift gestoord. Als op al die flessen en pakken een dop zit dan gaat de inhoud veel te lang mee. Hoe eerder de verzuring of de schimmel toeslaat, hoe eerder ze weer nieuwe flessen en pakken kunnen slijten. Alle creativiteit is dus aangewend om pakken en flessen open te houden en dat is geculmineerd in de revolutionaire vinding van de hersluitbare dop. Geniaal!

Zodra je een hersluitbare dop van een nieuwe fles cola haalt, kun je die dop sluiten en hersluiten, om te voorkomen dat hij ooit nog op de fles gaat. Anderhalve liter cola zonder verlies aan bubbelkracht opmaken valt nog niet mee, dat wordt flink doordrinken.

Ik zal de verpakkingsontwerpers alvast een nieuwe innovatie influisteren: de heropenbare fles. Alleen moet daarvoor de vorige innovatie van de hersluitbare dop weer worden afgeschaft, want alleen met een onsluitbare dop kun je een fles afdichten en heropenen.

Ik vermoed dat de verpakkingsontwerpers een hersluitbaar taalcentrum in hun hersenen hebben, dat ongetwijfeld gesloten was toen ze de hersluitbare dop verzonnen. Daarvoor geef ik ze een heruitreikbare 7 op de irrischaal.

Kansloos

Aangezien mijn vorige irritatie omtrent kansrekening niet door iedereen goed werd ontvangen, bekijk ik het nu van de andere kant van het spectrum. Niet 100% maar 0%. Kansloos dus.

Hoe vaak hoor je een sportcommentator bij een benutte penalty (of zo je wilt, strafschop) niet roepen dat de keeper kansloos was? Vrijwel altijd. Dat vind ik zeer vreemd. Als de keeper werkelijk kansloos was, dan zou het volkomen uitgesloten zijn dat hij de bal zou tegenhouden en was het dus compleet zinloos dat hij tussen de doelpalen ging staan. Hij had dan net zo goed bij zijn medespelers buiten het zestienmetergebied kunnen gaan staan, maar ik betwijfel of zijn trainer en supporters hem dat in dank hadden afgenomen.

Niet alleen in het voetbal bezondigen sportcommentatoren zich aan deze statistische onjuistheid. Ik lees ook geregeld berichten als: ‘Nadal laat Petzschner kansloos‘. Als dat zo was, waarom zouden beide heren deze wedstrijd dan nog spelen? Als Petzschner kansloos is dan heeft Nadal van te voren al gewonnen.

Voorafgaand aan een penalty heeft een keeper, zolang hij in het doel staat, altijd een kans om de bal tegen te houden. Ook twee tennissers die een wedstrijd tegen elkaar spelen hebben voorafgaand aan de wedstrijd beide een kans om te winnen, hoe klein die kans voor een van beiden ook is, maar die kans is nooit 0%.

Sportcommentatoren constateren altijd achteraf dat de kans 0% was. Dat is makkelijk zeg. Als een penalty wordt benut dan is de keeper achteraf altijd kansloos om de bal te stoppen, want die ligt al in het doel. Net zo makkelijk is het om achteraf te constateren dat de keeper feilloos was als hij een penalty heeft gestopt. Kansrekening over het wel of niet optreden van een gebeurtenis heeft alleen waarde voorafgaand aan die gebeurtenis.

Ik acht sportverslaggevers niet kansloos om hun uitspraken over kansrekening te verbeteren, maar de kans dat ze dat doen acht ik niet groot. Er is 100% kans dat de 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9 en 10 kansloos zijn als ik kansloos straks een waardering op de irrischaal geef. Oeps, ik heb het al gedaan.

(met dank aan Joop van Hulst)

Als beste getest

Ondanks het massale aanbod van producten dat ons als consumenten overspoelt, kopen we niet willekeurig een digitale camera, televisie, computer, verzekering of reis. Eerst gaan we alles uitgebreid vergelijken en daarvoor is een heel arsenaal aan vergelijkingssites voorhanden. Je kunt tegenwoordig zelfs vergelijkingssites vergelijken.

Het lijkt wat overdreven om vergelijkingssites te vergelijken, maar je wilt voordat je iets koopt toch wel weten of de informatie op een vergelijkingssite betrouwbaar is. Een beetje vergelijkingsite heeft ook testresultaten van vergelijkbare producten. Je moet je keuze immers kunnen funderen op objectieve testresultaten.

Sommige haarklovers scheppen er een heimelijk genoegen in om met aan autisme grenzende concentratie de kleinste productdetails te bestuderen, maar de meeste mensen willen gewoon snel weten wat het beste product is. Dus wat zetten vergelijkingssites met grote letters bij het beste product? Als beste getest.

Wacht even. Een test moet toch objectieve resultaten geven en alle producten op dezelfde manier behandelen? Maar als er één als beste wordt getest, dan is er voorafgaand aan de test blijkbaar al een selectie geweest en is daar één product als beste uit gekozen. Dan heeft de test ook niet veel zin meer. Of bedoelen ze misschien dat dat ene product het beste is getest en dus uitgebreidere proeven heeft ondergaan? Dat lijkt me ook niet helemaal eerlijk.

Wat ze bedoelen is dat een bepaald product de beste testresultaten gaf, maar dat kopt natuurlijk niet lekker. Gelukkig zeggen steeds meer vergelijkingssites als beste uit de test. Dat is bondig genoeg voor een pakkende kop en – nog veel belangrijker – semantisch juist.

Als beste getest vind ik geen best staaltje taalgebruik en daarom komt dat in de middenmoot uit de irritest met een beste 6 op de irrischaal.