Zo en zo

Zo, ik moet even een hartig woordje met je spreken. Ja, jij daar. Je weet precies wie ik bedoel. Nee, niet over je schouder kijken, ik bedoel jou. Ja, bloos maar, want dit is een ernstige zaak. Je weet xc3xbcberhaupt wel waar het over gaat. O, niet? Dat lijkt me sterk, want je weet zelf ook dondersgoed dat je woorden misbruikt.

Luister. In het geval je de uitdrukking in ieder geval wilt gebruiken, maar je kunt er niet opkomen, neem dan even twee tellen de tijd om hem weer te herinneren. Lukt dat dan nog niet, zeg dan hoe dan ook, of toch al, dat is hoe dan ook goed.

Ik neem het je zelfs niet kwalijk als je bij gebrek aan inspiratie je toevlucht zoekt in germanismen als sowieso of xc3xbcberhaupt. Als erkend taalergeraar ben ik volgens de gedragsnormen van mijn genootschap verplicht je te melden dat Nederlands hoe dan ook de voorkeur heeft, maar in geval van uiterste woordarmoede kan ik leenwoorden bij hoge uitzondering tolereren.

Goed, je wilt dus sowieso gebruiken en hebt daar nu ook officieel toestemming voor. Waar haal je dan het gore lef vandaan om dat woord te verminken tot zo en zo? Hoe wordt dat woord in je hersenen vernield? Ah, ik weet je antwoord al: ‘Nou, zo en zo.’ Zo leeg is de woordenschatkist in je hoofd dus.

Zo en zo vind ik maar zozo. Dit is je laatste waarschuwing. Als ik je nog xc3xa9xc3xa9n keer betrap op deze zonde, dan krijg je van mij zo’n – strek mijn armen helemaal uit – 6 op de irrischaal. Zo is het ook nog eens een keertje.

Advertenties

Gremium

Heb je ook wel eens de behoefte gevoeld om je collega’s met een prachtig, zeldzaam en moeilijk woord te overdonderen? Zo’n woord dat wanneer je het zegt alle aanwezigen doet verstommen en je vol ontzag en bewondering laat aanschouwen? Een woord waarvan jij wxc3xa9l weet wat het betekent en waar een enorme intelligentie van uitgaat? Zo’n woord dus.

Het valt niet mee om er eentje te vinden, maar soms is er een collega die denkt daarin geslaagd te zijn. Die collega is dan vervolgens zo tevreden met zijn trouvaille dat hij het woord gaat cultiveren en het te pas en te onpas gebruikt. Dit overkwam ook een projectleider waarmee ik ooit samenwerkte.

Zodra er een onderwerp werd aangesneden wat in projectleiderstaal out of scope was, deed hij dat af met: ‘… maar dat is een heel ander gremium.’ Bijvoorbeeld: ‘We richten ons nu op logische toegangsbeveiliging, maar fysieke toegangsbeveiliging is een heel ander gremium.’

Gremium. Wat een prachtig woord. En het mooie van zo’n woord is dat het nog werkt ook. Zodra hij het zei was iedereen stil en keek wat ongemakkelijk om zich heen. Het was duidelijk dat niemand precies wist wat het betekende, maar dat niet durfde te zeggen. De meesten zullen uit de context van de zin hebben aangenomen dat gremium iets als kennisgebied of expertise betekende.

Als ik een woord hoor dat ik niet ken, dan zoek ik het direct op. Gremium betekent adviescollege of een college van vertegenwoordigers. Ondernemingsraden en de Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn gremia. Dit toegepast op de taal van de projectleider geeft bijzondere zinnen: ‘We richten ons nu op logische toegangsbeveiliging, maar fysieke toegangsbeveiliging is een heel ander college van vertegenwoordigers.’

Ik heb weinig bezwaren tegen gebruik van dure woorden – ik ben daar zelf ook niet vies van – maar als je dat doet, neem dan wel even de moeite om de betekenis op te zoeken. Anders is het gebruik van dat soort woorden juist geen proeve van intelligentie. Gelukkig bestaat het gremium Irritaal. Dat adviescollege van taalergeraars bestraft abusievelijke utilisatie van eminente woorden als gremium met een 5 op de irrischaal.

Letterlijk

Het strooizout is op. Dat is in sneeuwrijke tijden geen goed nieuws. Menig burgemeester zit dan ook in zak en as, omdat de wegen steeds witter en gladder worden. Langzaam glijden we over de sneeuwhopen af naar chaos op de wegen. Veel burgemeesters smeken alle buurgemeenten of ze nog wat zout kunnen lenen.

Je zou verwachten dat burgemeesters amicaal en collegiaal met elkaar omgaan en elkaar graag wat lenen als ze iets over hebben. Niet dus, volgens een burgemeester die werd gexc3xafnterviewd op Radio 1. Ook als ze zout over hebben blijft het zoutdepot gesloten: eigen asfalt eerst. De zoutarme burgemeester was danig teleurgesteld in zijn ruimbezouten ambtsbroeders.

De interviewer: ‘U heeft dit dus letterlijk en figuurlijk bij uw collega’s aanhangig gemaakt?’
De zoutbehoeftige burgemeester: ‘Maar natuurlijk.’

Hij heeft het dus letterlijk aanhangig xc3xa9n figuurlijk aanhangig gemaakt. Ik ben toch benieuwd wat daar het verschil tussen is. Iets aanhangig maken is een gezegde dus van zichzelf al figuurlijk. Hoe maak je dan iets letterlijk aanhangig? Volgens de letter van het woord, dus precies zoals het er staat, zou je verwachten dat je dat iets ergens aan hangt, maar met iets wat je niet hebt – het zout in dit geval – is dat wat lastig.

Letterlijk kan volgens Van Dale ook geheel en al betekenen. Dat lijkt me voor de hand liggend: als je een zouttekort aanhangig maakt bij anderen, dan doe je dat volledig. Het wordt wat ingewikkeld als je het op zijn van het zout half onder de aandacht brengt bij collega’s. ‘Die andere helft van het op zijn daar doen we niet moeilijk over hoor, die mag je negeren.’

Letterlijk wordt steeds vaker gebruikt om iets te benadrukken, zonder dat dat letterlijk moet worden opgevat. Van letterlijk blijft dus letterlijk niets aan betekenis over en krijgt het van mij een cijfermatig modderfiguur in de vorm van een 7 op de irrischaal.

Professioneel

Ik heb zojuist de oplossing voor het werkloosheidsprobleem gevonden. Binnenkort hoeft niemand meer verplicht te solliciteren, want er is voor iedereen een baan voorhanden. En het mooie is dat iedereen die kan liggen voor deze baan is gekwalificeerd.

Misschien geef ik mijn eigen baan ook wel op voor deze nieuwe bezigheid. Uitdaging wil ik het niet noemen, ten eerste omdat uitdaging een bloedirritant woord is en ten tweede omdat dit werk niet veel van je vraagt. Je kunt het zelfs slapend doen. Wat wil je nog meer?

Dit zo’n goed idee dat het zelfs de economische crisis kan oplossen. Die ridderorde en Nobelprijs voor de economie heb ik al half binnen. Wat zal minister Bos trots op me zijn! Ik laat je niet langer in spanning: de nieuwe baan voor iedereen is namelijk professioneel zonnen.

Wat moet dat heerlijk zijn, ’s ochtends op de fiets naar de zonnebankstudio, heerlijk onderuit onder de kunstmatige zon en ’s avonds weer terug met de mooist denkbare aprxc3xa8s-skitint. Wel even oppassen dat je niet te veel UV-straling opvangt natuurlijk. Mocht het toch misgaan dan zorgt dit nadeel ook voor een economisch voordeel: een nieuwe arbeidsimpuls in de oncologie.

Wat? Bedoelen ze bij Sunday’s juist nxc3xadxc3xa9t dat je van beroep zonner moet worden? Wat dan? Zonnen als een vakman? Vast niet, want dat verwijst ook naar iemand die zont voor de kost. Ik krijg een zongetint vermoeden dat Sunday’s professioneel verwart met zorgvuldig of verantwoord. Waren alle professionals maar verantwoord bezig. Vraag maar aan Dirk Scheringa.

Als taalamateur ben ik zorgvuldig genoeg om professioneel zonnen bij Sunday’s een verantwoorde 7 op de irrischaal te geven.

Een drietal

Wie tot tien kan tellen, kan de hele wereld bellen. Dat was een slagzin van KPN. De gedachte daarbij was dat (bijna) iedereen tot tien kan tellen, omdat het zo makkelijk is. Dus bij dezen vraag ik je om hardop tot tien te tellen. Ik geef je twee seconden de tijd je gedachten te ordenen en dan te beginnen: start!

(twee seconden pauze + een seconde of zeven om je de tijd te geven tot tien te tellen)

Mooi. Dat was makkelijk, niet? Ik ben benieuwd naar wat je hebt gezegd. Was het misschien:
xc3xa9xc3xa9n, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien? Ja? Dan heb je het fout.

Tot tien tellen gaat tegenwoordig namelijk zo: een xc3xa9xc3xa9ntal, een tweetal, een drietal, een viertal, een vijftal, een zestal, een zevental, een achttal, een negental, een tiental. We hebben het niet meer over twee wedstrijden maar over een tweetal wedstrijden, niet over drie projectors maar over een drietal projectors, niet over vier principes maar over een viertal principes en ga zo maar door. Voorbeelden te over.

Waar komt de drang voor het gebruik van het achtervoegsel -tal vandaan? Meestal is het niet nodig. Als er een aantal mensen of dingen worden aangeduid die bij elkaar horen en als eenheid fungeren, dan vind ik het gegrond. Een (voetbal)elftal bijvoorbeeld. Het aantallensyndroom komt voort uit intrinsieke nakakeldrang en dikdoenerij. Het liefst denken we zo weinig mogelijk na bij wat we zeggen, maar willen we wel gewichtig overkomen.

‘Wacht eens even,’ hoor ik taalkundigen al zeggen, ‘hoezo "tegenwoordig"? Vroeger werd een tweetal, drietal, viertal, enzovoorts ook heel vaak gebruikt. Zie bijvoorbeeld hier en hier.’ Dat klopt, het taalgebruik van vroeger komt nu vaak formeel en dikdoenerig over. Waarschijnlijk heeft de nakakeldrang tegenwoordig dus een groter aandeel in dit taalfenomeen dan dikdoenerij.

Niet om het eental of ander, maar na weinig vijftallen en zestallen krijgt -tal een nultal op het rekest en waardeer ik dat met een vijftal op de irrischaal. Dit om te voorkomen dat alles in het honderdtal loopt.

Passie

Iedere sollicitant heeft het. Iedere kok heeft het. Iedereen die dansjes op tv doet heeft het. Iedere deelnemer in een wegstem-tv-programma heeft het. Jezus Christus had het. Sinds kort heeft Mart Smeets het ook, of – mag ik dat zeggen, ja dat mag ik zeggen – hij had het al langer maar typeert zijn vooral op zich zelf indruk wekkende carrixc3xa8re er mee. Ik vermoed dat zelfs de daklozenkrantventer het heeft. En ik heb het niet.

Passie.

Passie, passie, passie. Stapelgek word ik van dat woord. Je mag niets meer doen zonder passie. Het is een ongeschreven regel. Als je niet overduidelijk je passie laat blijken dan word je niet gehoord, dan ben je een grijs en zielig geval dat vervaagt in de massa. Je werk moet je met passie doen, sporten moet met passie, schrijven moet met passie, in de regen wachten op een bus moet met passie, je broek ophalen moet met passie, ja zelfs passie beleven moet met passie. Zonder passie lijkt het leven zinloos.

Ik vind veel dingen leuk om te doen en aan sommige beleef ik zelfs intens plezier, maar passie? Ik vrees dat ik het niet of zelden heb. Met hartstocht jezelf volledig overgeven aan iets en er in opgaan tot je genot je tot een extatisch hoogtepunt drijft: heerlijk moet het zijn, maar ik heb het niet.

Zelfs het met weinig zelfspot behepte instituut dat Mart Smeets heet heeft het en ik niet. Noem me een gevoelloze ploert, maar ik vind passie het meest misbruikte opblaaswoord dat er is. Het enige waar ik wellicht passie voor kan voelen is het bestrijden van het woord passie. Het mag duidelijk zijn: ik pas voor passie een geef dit woord een 9 op de irrischaal.

Te vet

De drang van de mens om zich uit te drukken in superlatieven is onbegrensd. Is er nog niet zo lang geleden met meest een overtreffender trap gevonden dan de overtreffende – meest vet lijkt vetter dan vetst – wordt die alweer overtroffen door een nieuwe overstijging: te.

Stel, je bent jong en je wint een wedstrijdje. Als je dan wordt gevraagd hoe je dat vindt, dan kon je tot voor kort maar xc3xa9xc3xa9n antwoord geven: ‘Vet!’ Als het een belangrijk wedstrijdje is, dan was de prijs die je won al snel de meest vette (en niet de vetste) prijs die je ooit hebt gewonnen.

Helaas, meest vet is alweer gedevalueerd. Want wat antwoordde het jongetje dat de finale van het Junior Songfestival won, toen hem werd gevraagd hoe hij dat vond? ‘Te vet!

Te duidt een overmaat aan. Te veel is meer dan nodig of gewenst en duidt meestal op een ongewenste situatie. Een prijs die te vet is, is dus vetter dan je zou willen. Het teveel aan vet zou je eigenlijk terug willen geven.

Ik vraag me af wat de volgende overtreffing van de overtreffende trap wordt. Te vetst? Te meest vet? Meest te vet? Ik begin een reeks te ontwaren. Het aantal overtreffingen is oneindig: vet – meest vet – te vet – vet te vet – meest vet te vet – te vet te vet –  vet te vet te vet – meest vet te vet te vet – enzovoorts. Dat staat dus garant voor voldoende taalirritaties in de toekomst.

Te vet is voor mij duidelijk te veel van het – goede wil ik het niet noemen – van het vette dan maar. Vet zonder te heb ik ook nooit echt begrepen als uiting van welbehagen, dus als ik vet een 7 op de irrischaal geef, dan geef ik te vet een moddertevette 9.